Business angel in de raad van bestuur: ook zonder operationele rol aansprakelijk

21 September 2026

Wie geld in een onderneming steekt en er daarna een bestuursmandaat bij neemt, doet dat meestal om te kunnen volgen wat er met dat geld gebeurt. Bij vonnis van 5 augustus 2026 stelde de tweede kamer van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, de verantwoordelijkheid van zogenaamde business angels op scherp. Wie in een collegiaal bestuur stapt, is bestuurder met alles erop en eraan, ook wanneer een medebestuurder de onderneming veel beter kent.

Wat er speelde

In de loop van 2022 kwam de oprichter van een vennootschap, op dat ogenblik enige aandeelhouder en enige bestuurder, in contact met een netwerk van business angels. Er werd een kapitaalronde georganiseerd waarbij aan de kandidaat-investeerders een ondernemingswaarde van ruim 1,9 miljoen euro werd voorgespiegeld.

Op de buitengewone algemene vergadering van 20 september 2022 traden zes investeerders toe en werd het eigen vermogen met 250.000 euro verhoogd. De investeerders kregen samen 25 procent van de aandelen, de B-aandelen; de oprichter hield de overige 75 procent, de A-aandelen.

Tegelijk werd een nieuw collegiaal bestuursorgaan geïnstalleerd. Op voordracht van de A-aandeelhouder werden de oprichter en een externe bestuurder benoemd, iemand zonder aandelen die door de oprichter was gevraagd als onafhankelijke derde. Op voordracht van de B-aandeelhouders werd een van de zes investeerders benoemd, die 100.000 euro had ingebracht. Er werd geen gedelegeerd bestuurder aangesteld en geen dagelijks bestuur geïnstalleerd. Volgens de statuten had de B-bestuurder exact dezelfde bevoegdheden en verantwoordelijkheden als de andere twee.

Op 16 januari 2024 kregen de bestuurders de eindejaarsresultaten. Ze waren opnieuw tegenvallend, en het werd duidelijk dat de oprichter in de maanden daarvoor systematisch had gelogen, informatie had verzwegen en had gehandeld tegen uitdrukkelijke beslissingen van het bestuursorgaan in. Een week later, op het crisisoverleg van 23 januari 2024, legde de externe bestuurder zijn mandaat neer. De oprichter nam pas op 3 juli 2024 ontslag. De investeerder bleef als enige bestuurder achter en deed op 20 augustus 2024 aangifte van staking van betaling.

Het aanvaarde passief bedroeg 789.176,82 euro. Actief was er niet. De curator dagvaardde alle drie de bestuurders en vorderde hun hoofdelijke veroordeling tot dat volledige nettopassief.

De alarmbelprocedure was al correct toegepast

De curator verweet het bestuur dat het de alarmbelprocedure uiterlijk in oktober 2023 opnieuw had moeten toepassen. De rechtbank volgde dat niet. Het bestuursorgaan had in april 2023 al een bijzonder verslag opgesteld overeenkomstig artikel 5:153 WVV, met herstelmaatregelen die de algemene vergadering in mei 2023 goedkeurde.

Paragraaf 4 van dat artikel bepaalt dat het bestuursorgaan, nadat het zijn verplichtingen een eerste maal is nagekomen, gedurende de twaalf daaropvolgende maanden niet verplicht is de algemene vergadering om dezelfde reden opnieuw bijeen te roepen. Die twaalf maanden waren niet verstreken. De vordering op grond van artikel 5:153 WVV werd afgewezen.

Maatregelen die niet werken, zijn nog geen fout

De curator legde het kantelpunt in augustus 2023: vanaf dan had het bestuur moeten weten dat de onderneming kennelijk reddeloos verloren was, met aansprakelijkheid op grond van artikel XX.227 WER tot gevolg.

De rechtbank ging daar niet in mee. Zodra de twee nieuwe bestuurders vaststelden dat de resultaten achterbleven, in april 2023, werden herstelmaatregelen genomen en ook effectief uitgevoerd. Daarover schreef de rechtbank:

"Dat de genomen herstelmaatregelen finaal niet het gewenste effect hebben gehad, is niet van doorslaggevende aard in het vraagstuk omtrent bestuurdersaansprakelijkheid. Wel de beoordeling of het kennelijk onredelijk was om enkel die herstelmaatregelen te nemen en te beslissen om de activiteiten in die omstandigheden toch verder te zetten."

Het ging om een activiteit waarvan de verkoop sterk op de eindejaarsperiode was gericht. Gelet daarop en op de niet-betwiste omzetcijfers van 2021 vond de rechtbank het niet kennelijk onredelijk om in augustus 2023 die eindejaarsperiode af te wachten, met Black Friday, Sinterklaas, Kerstmis en Nieuwjaar, alvorens definitieve beslissingen te nemen.

De rechtbank voegde er wel meteen aan toe dat die beslissing zich toen al "op de grens van wat nog verantwoord kon worden geacht" bevond.

Het kantelpunt lag eind maart 2024

Vanaf maart 2024 lag het anders. De vennootschap had haar maatschappelijke zetel verlaten wegens huurachterstal en vond geen nieuwe. Er was geen noemenswaardige voorraad meer, geen liquiditeit, geen personeel en geen bekwame medebestuurder. Van een normale werking was geen sprake, en de schuldenlast was onoverkomelijk.

Vanaf dat ogenblik, oordeelde de rechtbank, wisten of behoorden de oprichter en de investeerder te weten dat er kennelijk geen redelijk vooruitzicht meer was om een faillissement te vermijden. Toch werd de onderneming nog tot 20 augustus 2024 voortgezet, zonder aangifte van staking van betaling en zonder gerechtelijke reorganisatie. Dat is de kennelijk grove fout in de zin van artikel XX.227 WER.

Op tijd ontslag nemen pleit vóór de bestuurder

De vordering tegen de externe bestuurder werd volledig ongegrond verklaard. Hij was na 23 januari 2024 geen bestuurder meer en had geen deel aan de fouten van de oprichter. De rechtbank leek zijn vertrek zelfs te waarderen:

"Dat derde verweerder op dat ogenblik ontslag neemt, is niet toevallig. Hij was de enige bestuurder die geen aandeelhouder was en wiens oordeel niet gevormd werd door financieel belang."

Bij de investeerder lag dat anders. Zij had de onderneming voortgezet omdat zij, in de woorden van de rechtbank, tegen beter weten in te lang de hoop had gekoesterd haar investering niet te verliezen, en kennelijk niet meer rationeel handelde. Uit de mails tussen januari en augustus 2024 bleek dat zij de objectieve kijk op de onderneming kwijt was, terwijl de andere investeerders wel afstand hielden.

Iedere bestuurder moet actief toezicht houden op zijn medebestuurders

Om de vordering af te weren, wees de investeerder naar de oprichter. Die had de vennootschap opgericht en leidde ze operationeel; zij was enkel B-bestuurder, benoemd op voordracht van de externe investeerders, en had een louter investerende rol. Omdat de oprichter essentiële informatie had achtergehouden, kon zij niet worden aangesproken.

Die redenering hield geen stand. De rechtbank stelde vast dat er geen gedelegeerd bestuurder was aangesteld en dat de statuten geen onderscheid maakten:

"Binnen een collegiaal bestuursorgaan rust niet alleen op iedere bestuurder een eigen verantwoordelijkheid voor het bestuur van de vennootschap. De collegialiteit verplicht de individuele bestuurder toezicht te houden op de medebestuurders."

Voor business angels, externe investeerders die geld, netwerk en knowhow ter beschikking stellen en vaak een bestuursmandaat opnemen om te volgen waar hun geld naartoe gaat, was de rechtbank uitdrukkelijk:

"Als een zogenoemde ‘business angel’ na haar inbreng toetreedt tot een collegiaal bestuur, dan is zij volwaardig bestuurder met alle daarbij horende verantwoordelijkheden. Van een bestuurder mag worden verwacht dat zij zich actief informeert over de toestand van de vennootschap. Zij kan zich niet beperken tot het passief afwachten van de informatie die door een medebestuurder of ‘founder’ wordt verstrekt. Zeker niet wanneer eerdere anomalieën werden vastgesteld en wanneer duidelijk is dat de mede-bestuurder onbetrouwbaar blijkt."

De rechtbank besloot dat de investeerder zich overwegend als afgevaardigde van de investeerders had gedragen, eerder dan als bestuurder. Toen in januari 2024 bleek dat de openstaande leveranciersschulden niet strookten met de boekhouding, had zij onmiddellijk een diepgaand onderzoek moeten opstarten. De gerichte vragen kwamen er pas in mei.

Aansprakelijk, maar niet even zwaar

Artikel XX.227 WER laat de rechtbank toe de bestuurder aansprakelijk te verklaren voor het geheel, of die aansprakelijkheid te beperken tot een deel van het tekort. Die begroting gebeurt naar billijkheid en hoeft niet proportioneel te zijn aan de veroorzaakte schade.

De oprichter, die verstek liet, werd aansprakelijk verklaard voor het gehele nettopassief. Hij was volstrekt onbekwaam om de onderneming te leiden, had de investeerders misleid, bestuursdaden gesteld tegen beslissingen van de raad in, en zijn medebestuurders onvolledig ingelicht.

De aansprakelijkheid van de investeerder begrootte de rechtbank ex aequo et bono op 25.000 euro. Zij hield daarbij rekening met drie dingen: in maart 2024 bestonden bijna alle schulden al en zijn ze daarna niet sterk toegenomen; het handelsfonds had in maart 2024 misschien nog verkocht kunnen worden en was tegen augustus waardeloos; maar de waarderingen bij de intrede van de investeerders stonden los van de realiteit, en de kans op een geslaagde realisatie door een curator was hoe dan ook beperkt.

Omdat de curator voorlopig slechts een provisioneel bedrag had gevorderd, werden beide bestuurders op dit ogenblik veroordeeld tot 12.450 euro. De zaak werd naar de rol verzonden voor de definitieve begroting.

Wat u hieruit meeneemt

Dit vonnis sluit aan bij eerdere rechtspraak waarin bestuurders zich evenmin konden verschuilen achter het vertrouwen dat zij in anderen stelden (Gent 8 juni 2009, RABG 2010, afl. 3, 183; Brussel 22 maart 2005, JLMB 2006, afl. 8, 341). Voor externe investeerders is het een wake-upcall: wie toezicht wil houden op de besteding van zijn geld, zal ook actief toezicht moeten houden op zijn medebestuurders. Vier praktische lessen.

  • Laat uw bevoegdheden bij uw benoeming afbakenen in de statuten. De rechtbank wees er uitdrukkelijk op dat er geen gedelegeerd bestuurder was en dat een B-bestuurder volgens de statuten dezelfde bevoegdheden had als de rest. Wie dat onderscheid wél laat opnemen, heeft later een argument dat deze bestuurder niet had.

  • Blijkt uit onderzoek dat de onderneming kansloos is, dan zijn er drie correcte pistes: de boeken neerleggen, ontslag nemen of een gerechtelijke reorganisatie opstarten. Afwachten is er geen van, en de bestuurder die hier op tijd opstapte, ging vrijuit.

  • Maatregelen nemen op een ogenblik waarop het niet onredelijk is te hopen op herstel, beschermt. Dat ze achteraf niet gewerkt hebben, maakt op zich geen fout uit. En wie de alarmbelprocedure correct heeft toegepast, moet ze binnen de twaalf maanden niet om dezelfde reden overdoen.

  • Het verschil tussen de operationele bestuurder en de investeerder-bestuurder sluit de aansprakelijkheid niet uit, maar het is wel het element waarop een rechtbank kan afstappen van de hoofdelijkheid en de veroordeling naar billijkheid kan moduleren.

Tot slot

Ons kantoor trad in dit faillissement op als curator en stelde de aansprakelijkheidsvordering in. De rechtbank volgde onze stelling dat ook de investeerder-bestuurder, de business angel, haar verantwoordelijkheid als bestuurder niet kon afschuiven op de oprichter.

Het vonnis is op dit ogenblik nog niet definitief. Het werd nog niet betekend en er werd geen hoger beroep ingesteld.

Zit u in een raad van bestuur van een vennootschap die u niet dagelijks leidt, of overweegt u een bestuursmandaat op te nemen bij een investering? Lees meer over onze werking in vennootschapsrecht en in handels- en ondernemingsrecht, of neem contact op met ons kantoor. Dan bekijken we samen wat uw mandaat vandaag concreet inhoudt.

Bron: Orb. Gent (2e k.) 5 augustus 2026, ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260805.1, juportal.be.

Deze bijdrage is algemene informatie en geen juridisch advies over een concrete situatie.